1.6 De monsters die ik ooit vrienden heb genoemd.

Een moment twijfelde ik wat ik moest doen. Moest ik omdraaien? Via de andere kant naar mijn fiets lopen? Ik besloot om me niet te laten kennen en om door te lopen. Weer zat mijn hart in mijn keel en ik begon te zweten. Ik was bang. Heel erg bang. Ik voelde dat mijn bloed naar mijn hoofd steeg en ik probeerde oogcontact te vermijden. De blaadjes die knisperden onder mijn voeten werden ineens heel interessant om te bestuderen. Met een gebogen hoofd ging ik steeds iets sneller lopen.

Toen ik dichterbij kwam hadden ze mij al gezien. Ik kreeg het benauwd en ademen werd steeds lastiger. Ik voelde mijn hart ondertussen als een bezetene tekeer gaan en het intense gevoel van paniek stroomde door mijn lichaam. Ze tikten elkaar aan en keken lacherig mijn kant op. Iemand zei iets en ze begonnen allemaal nog harder te lachen. Net iets te overdreven en met hun gezicht mijn kant op. Ik wist meteen dat het over mij ging. Het liefst wilde ik omdraaien en heel hard wegrennen maar ik was te laat. Ik was al te dichtbij, ik kon niet meer terug. En toen begon het weer.

“Kankerhoer!” “Vies wijf.” “Cam slet.”

“Ga je weer lekker thuis voor de cam zitten?! Misschien kan je er dit keer geld voor vragen.”

Ik zag aan alles dat ze ervan genoten. Ze vonden het heerlijk om mij klein te maken, kapot te maken. Glinsterende ogen en gezichten vol met afgrijzen. Ze zagen mij niet meer als persoon, maar als ongedierte. Ongedierte dat vertrapt moest worden. Ik voelde me niet eens meer machteloos, dat stadium was ik allang voorbij. Het was een mengeling van intense paniek en angst met schaamte en onvermogen geworden. Een gevoel dat ik nog niet kende, zo intens dat ik het een wonder vond dat ik nog op mijn benen kon staan.

Met knikkende knieën en een hartslag waar je u tegen zegt liep ik zo snel als dat ik kon voorbij. Ik probeerde niet op of om te kijken, ik moest daar weg. De mensen waar ik een paar maanden daarvoor nog mee om ging waren veranderd in monsters. Monsters die er alles aan wilden doen om mij te laten verliezen.

Toen ik voorbij het groepje was hoorde ik ze nog dingen roepen en heel hard lachen. Vechtend tegen de tranen pakte ik mijn fiets en fietste ik zo snel mogelijk weg van deze monsters. Ik was zo ontzettend verdrietig en boos. Hoe konden deze mensen, die ik eerst ‘vrienden’ noemde, mij dit aan doen. Het gevoel dat ik van hen kreeg was onmenselijk. Het was veel te veel voor een persoon om mee om te moeten gaan.

Op de fiets probeerde ik het te rationaliseren voor mezelf. Het waren maar woorden, woorden die roddels en opmerkingen vormden. Ik werd niet geslagen of geschopt, het waren ‘maar’ woorden. Hoe meer ik hierover nadacht des te meer ik me besefte dat wanneer woorden de overhand krijgen, ze vernietigend kunnen zijn. En dat was wat er gebeurde. De woorden hadden de overhand gekregen en waren vernietigend. Bij elke opmerking en elke keer als ik uitgescholden werd voelde het alsof er een klein deeltje in mij stierf. Alsof ik mezelf elke keer weer een beetje meer kwijtraakte. Ik vroeg me af hoeveel kleine deeltjes ik kwijt kon raken voordat ik mezelf niet meer zou herkennen.

Onderweg kwam ik Julia tegen. Dat was mijn beste vriendin en zij zat ook bij mij op school. Ik had haar nog niet gesproken over de hele situatie. Ze fietste een stukje voor me en ik twijfelde even of ik harder zou gaan fietsen zodat we samen naar huis konden of dat ik afstand zou houden. Ik was bang voor haar reactie, bang om haar ook kwijt te raken. Maar aan de andere kant zou het zoveel schelen als zij ook in mijn team zou zitten. Ik dacht er een paar minuten over na en met gemengde gevoelens besloot ik uiteindelijk om naast haar te gaan fietsen.

“Julia! Wacht even op mij!”