1.8 Het avontuur

“Oké de weg is best wel makkelijk, we hoeven bijna alleen maar rechtdoor.”

Julia zat de route te bestuderen op de computer. We hadden nog geen internet op onze telefoon dus geen google maps voor de route. Het was de eerste keer dat we op de fiets naar de stad zouden gaan maar de route leek niet heel moeilijk te zijn.

“Misschien is het handig als we het voor de zekerheid toch even uitprinten, ik ken ons langer dan vandaag.”

Julia keek me lachend aan en stemde daarmee in. Vol goede moed en met de route op papier begonnen we aan ons avontuur. Het eerste stuk was niet moeilijk, dat was een stuk dat we allebei al kenden. We fietsten over een brug en we zwaaiden een keer naar de bootjes die langs kwamen varen. Het was lekker weer en er hing een ontspannen sfeer op straat.

“Hier moeten we zo naar links en dan daarna weer naar rechts.”

“Was het niet alleen maar rechtdoor?”
“Ja, hierna moeten we alleen maar rechtdoor.”

“Maar is dit niet de weg waar we met de auto altijd rijden naar de stad toe?”

“Jawel, maar ik denk dat deze route korter is met de fiets.”

Met Julia samen fietsen voelde bevrijdend. Alsof ik de hele wereld weer aankon. We hadden het over van alles en nog wat, alleen maar over leuke dingen. We lachten zo hard dat ik er buikpijn van kreeg en de tranen liepen over mijn wangen. Heerlijk was dat, tranen van geluk in plaats van verdriet. Ik dacht even niet aan alle ellende en alles leek weer even precies hetzelfde te zijn. Ik genoot van elk moment en ik kon eindelijk een keer ontspannen.

“Juul, moeten we niet een keer naar rechts of iets?”
“O, shit. Helemaal vergeten te kijken man. We gaan hier wel rechts en dan moeten we misschien weer een keer rechts en dan links. Dan komen we vast wel op dezelfde weg uit.”

We waren ondertussen al ruim een halfuur aan het fietsen en we herkenden bijna niks meer. Ik had geen idee waar we waren en aan het gezicht van Julia te zien wist zij het ook niet. De route die we moesten fietsen was bijna dezelfde als de autoroute. Het was al wel een tijdje geleden dat ik met mijn ouders met de auto naar de stad was gegaan, maar ik wist toch vrij zeker dat ik hier nog nooit langs was gekomen. Ik zag de rijtjeshuizen overgaan in flatgebouwen terwijl ik niet eens wist dat daar in de buurt flatgebouwen stonden. Het vertrouwde beeld van het rustige fietspad waar we eerder nog op fietsten had plaats gemaakt voor een drukke weg met veel auto’s. We bleven maar doorfietsen in de hoop dat we weer iets zouden gaan herkennen.

“Weet je zeker dat we goed fietsen? Hadden we er ondertussen niet al bijna moeten zijn?”

“Uhm. Ja goede vraag. Ik herken niks, jij wel?”
“Nee ik ook niet.”

De fijne rustige wijk was overgegaan in een wijk waar we ons niet echt op ons gemak voelden. Toen we langs een groepje jongens fietsten werden we nagefloten en nageroepen. Ik voelde een bepaalde spanning opkomen in mijn lichaam en toen ik naar Julia keek zag ik dat zij zich ook niet op haar gemak voelde. We begonnen onbewust ook steeds sneller te fietsen totdat we op een punt kwamen dat we ons beseften dat we geen bekende dingen meer tegen zouden gaan komen. De drukke weg eindigde op een industrieterrein. We wisten dat we daar sowieso niet heen moesten. Maar waar we wel heen moesten wisten we eigenlijk ook niet.

We waren verdwaald.