1.11 De tweede helft

Ik haalde een keer diep adem en ik opende het wc-hokje. Ik keek om me heen en ik zag dat de ruimte gelukkig leeg was. Ik keek in de spiegel, gooide een beetje koud water in mijn gezicht en ik sprak mezelf moed in.

“Oké Isa. Wat er gebeurt, gebeurt er. Je kunt er niks aan veranderen en je moet nu toch naar de lessen toe. Je kunt dit. Gewoon negeren en doorgaan. Het ergste wat er kon gebeuren is toch al gebeurd en nu kan je niks anders doen dan gewoon doorgaan. Laat het maar over je heen komen. Thuis kun je met Julia chillen of met Puck. Maar hier moet je jezelf erdoorheen slaan. Kop op en gaan.”

Ik wist dat ik gelijk had, dat het klopte wat ik tegen mezelf zei. Maar ik wist ook dat ik deze wedstrijd nooit zou kunnen winnen. Het was een kwestie van zo lang mogelijk blijven zwemmen omdat ik anders zou verdrinken.

En daar ging ik dan. Met knikkende knieën liep ik de klas binnen en ging ik zo snel mogelijk zitten. Zenuwachtig keek ik om me heen maar tot mijn verbazing zag ik dat iedereen vooral bezig was met zichzelf. De zenuwen zakten een beetje en ik kon weer even rustig ademhalen. Ik had nog maar een uurtje les en daarna moest ik nog twee uur gymmen. Vastberaden zei ik tegen mezelf dat dat wel moest lukken. De les ging verassend goed en voordat ik het wist was de les alweer afgelopen. Opgelucht liep ik samen met Lotte naar de kleedkamer van het gymlokaal.

Een aantal andere meiden uit mijn klas was er al en ik ging expres ergens in een hoekje staan om me om te kleden. Zo onopvallend mogelijk deed ik mijn schoenen uit en daarna mijn broek. Ik deed snel mijn joggingbroek aan en daarna mijn shirt uit. Toen ik mijn shirt uitdeed voelde ik ogen branden, ik probeerde het te negeren maar dat lukte niet lang.

“Die kankerhoer heeft niet eens tieten.”
“Waarom zou ze die laten zien aan iemand, er is toch niks te zien.”

Ik hoorde gelach en ik wist niet hoe snel ik mijn gymshirt aan moest doen. Dit waren nieuwe opmerkingen. Opmerkingen die nog veel persoonlijker waren. Opmerkingen die ik niet kon negeren en die voelden alsof ik werd getackeld terwijl ik in volle vaart aan het rennen was. Ze haalden mij ontzettend hard tegen de grond, nog veel harder dan alle andere opmerkingen die ik tot die tijd gekregen had. Ik voelde me vernederd. Het schaamrood stond op mijn kaken, ik werd misselijk en ik had het gevoel alsof ik elk moment kon flauwvallen. Ik ging snel op het bankje in de kleedkamer zitten en met trillende handen deed ik mijn schoenen aan. Ik baalde van mezelf dat ik niks kon doen tegen die opmerkingen, dat ik geen antwoord klaar had en dat ik het maar liet gebeuren. Maar aan de andere kant kon ik ook niks bedenken dat ik daartegen kon doen. Het overviel me. De meiden lachten nog even en liepen naar de gymzaal. Ik probeerde het los te laten en kalmeerde mezelf nog even voordat ik ook de gymzaal in liep.

Eenmaal in de gymzaal voelde ik me iets meer op mijn gemak. De aandacht was op het spel gevestigd en niet meer op mij. Het leek wel alsof de opmerkingen in de kleedkamer alweer vergeten waren door iedereen en ik kon zowaar een beetje ontspannen op school. Ik ging helemaal op in het spel en ik dacht even niet aan alle ellende toen er op het raam van de gymzaal gebonkt werd.

Geschrokken keek ik om en meteen was het ontspannen gevoel wat ik een paar tellen daarvoor nog had weg. Ik keek recht in het gezicht van een jongen die ik het meest vreesde van iedereen. Hij bleef bonken. Hij bleef staan. En hij bleef kijken. Paniekerig keek ik om me heen en hoopte ik met alles wat ik in mij had dat niemand het zou opmerken. Maar er kwamen meer mensen bij hem staan en ook zij volgden zijn voorbeeld. Ik wist dat dit nooit goed kon gaan.

Ik hoorde de leraar zeggen dat hij even iets moest pakken en zo terug zou zijn. De intense paniek kwam als een zweepslag mijn lichaam binnen. Met moeite bleef ik op mijn benen staan toen de opmerkingen steeds harder geschreeuwd werden, zelfs zo hard dat ze binnen luid en duidelijk te horen waren. De mensen in mijn klas keken verstoord op van het spel waar ze minuten daarvoor nog zo op geconcentreerd waren.

Toen ze doorhadden wat er gaande was keken ze mij aan. Ik hoorde en zag mensen lachen. De glinstering in hun ogen bij het maken van haatdragende opmerkingen en het afgrijzen op hun gezicht maakte dat ik aan de grond genageld stond. Ik kon niet bewegen en ik kon niks uitbrengen. Ik was bevroren. Maar het was anders dan normaal, voor het eerst sinds al die ellende voelde ik helemaal niks meer toen de opmerkingen gemaakt werden. Ik was leeg. Volledig vernietigd door alle opmerkingen en al die keren dat ik was uitgescholden.

Was dit het moment dat ik te veel verloren was van mezelf en mezelf niet meer herkende? Het einde van de Isa die ik altijd ben geweest?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *