1.14 De klap van de verzonnen realiteit

Nog slaperig liep ik naar beneden toe om te gaan ontbijten. Het was zondagochtend en ik had weer geen oog dicht gedaan. In mijn bed blijven liggen was geen optie aangezien ik dan alleen maar bleef malen waardoor ik mezelf gek maakte. Ik rook de warme broodjes al toen ik de trap afliep.

“Goedemorgen Isa! Lekker geslapen?”

Eigenlijk niet.

“Ja hoor, jullie ook?”
“Ja prima!”

Ik liep door naar het aanrecht waar mijn telefoon in de oplader lag. Ik opende mijn berichtjes en ik was meteen wakker.

“Wow Isa, what the fuck heb jij gedaan?”

Een berichtje van een meisje waarbij ik ooit in het hockeyteam had gezeten. Ik had haar al een tijd niet gesproken dus het kwam volledig uit het niets dat ze mij ineens een berichtje stuurde. Ik voelde mijn hartslag weer omhooggaan maar de leegte nam het al snel over. Het deed me weinig meer. Het was het zoveelste berichtje, het was bijna een wonder als ik een paar dagen niet zo’n berichtje kreeg.

“Ja ik weet wat er gezegd wordt. Helemaal kut.”
“Ja hoe heb je dat kunnen doen?”
“Hou d’r maar over op alsjeblieft.”
“Ja ik heb foto’s gezien. Echt heel vies.”
“Wat voor foto’s?”

Ik kreeg het ineens heel benauwd. Met moeite bleef ik op mijn benen staan. Hoe konden er foto’s zijn? Wie had dat verzonnen? Het was duidelijk dat ik aan het volgende, nog veel snellere, rondje begonnen was.

“Ja van jou. Of ja ik heb ze niet zelf gezien maar ik ken iemand die ze wel gezien heeft.”

En zo begon de volgende lading ellende. Alsof de roddels nog niet genoeg waren, ging nu het verhaal rond dat er foto’s waren. En het werd nu nog interessanter voor heel veel mensen. Het gevoelloze wat ik een paar minuten daarvoor nog had was weer veranderd in een alles overheersende paniek en misselijkheid. Ik wist dat het nu nog erger zou worden.

Mensen dachten dat er bewijs was en hierdoor zouden nog veel meer mensen het gaan geloven. Elke keer als ik dacht dat het niet erger kon, gebeurde er weer iets waardoor er nog een gedeelte van mijn wereld instortte. Steeds als ik dacht dat het ergste achter de rug was kreeg ik een klap van de realiteit en moest ik nog meer verdragen. Het gevoel van machteloosheid en paniek was ondertussen zo normaal geworden dat mijn hele lichaam constant aan topsport deed.

Ik vroeg me af hoeveel sneller de achtbaan nog zou gaan voordat hij eindelijk zou afremmen. Wanneer kon ik eindelijk uitstappen? Was de wedstrijd nog wel te winnen? En herkende ik mezelf eigenlijk nog wel of was ik al bezweken onder de kracht van de snelheid?

Ik zat erover na te denken. Een tijd terug was ik nog de gezellige, spontane Isa. Ik had genoeg ‘vrienden’ om mij heen. Ik had altijd een vlammetje in mij dat ervoor zorgde dat ik door bleef gaan en altijd leuke dingen wilde doen. Dat vlammetje was al een tijd gedoofd. En elke keer als ik probeerde om dat vlammetje weer aan te krijgen, kreeg ik weer een bak water over me heen waardoor het vlammetje weer uit ging. Ondertussen was het niet meer de druppel die de emmer zou doen laten overlopen, maar de druppel die mij zou laten verdrinken. De gedachten om zelf uit de achtbaan te stappen slopen weer mijn hoofd in.

Ik wist dat ik het mijn ouders, broertjes en Julia niet aan kon doen. Ik moest volhouden voor hen maar de achtbaan ging ondertussen zo snel dat ik bijna geen lucht meer kreeg. Trillend op mijn benen antwoordde ik op het berichtje.

“Geloof wat je wilt geloven, maakt mij niet meer uit.”
“Hoe erg is het dan?”
“Erger dan dat je je kan voorstellen.”
“Oh shit man. Sorry, ik hoorde het net en schrok ervan.”
“Moet je nagaan hoe erg ik ervan geschrokken ben.”
“Ja wow inderdaad… Sorry Ies.”
“No problem.”

Konden mensen nou echt niet nadenken voordat ze iets zeiden? Er borrelde woede op, zo’n intense woede had ik nog niet eerder gevoeld. Ik kon nog steeds moeilijk geloven dat mensen mij zo kapot maakten. Ik begreep niet, en begrijp nog steeds niet, hoe mensen dat kunnen doen. Mijn hele wereld stond op z’n kop en zelfs de mensen die ooit dichtbij mij stonden gingen mee in het verhaal. Mee in het kapot maken van mij.

Ik voelde mijn telefoon weer trillen maar dit keer was het een berichtje van Lotte.

“Heee Ies, wat doe je vandaag?”
“Niks en jij?”
“Kom je even naar het dorp?”
“Yes is goed. Ik moet wel nog even ontbijten enzo.”
“Oke! Zullen we om 14:00 afspreken?
“Ja is goed, tot straks!”

De woede ebde langzaam weer weg en maakte weer plaats voor het lege gevoel. Ik at snel een broodje en maakte me klaar om te gaan. Toen ik naar het dorp fietste voelde ik hoe mijn huid verwarmd werd door het lentezonnetje en even leek het allemaal beter te zijn.

Ik kon weer even ademen.