1.16 De donderslag bij heldere hemel

“En? Heb je hem nog een berichtje gestuurd?”

Lotte kwam meteen naar mij toe gerend toen ze mij het schoolplein op zag lopen.

“Nee eigenlijk niet.”
“Isa! Ik heb zoveel moeite gedaan om zijn nummer te regelen voor je, dan moet je hem wel een berichtje sturen hoor.”
“Ja maar wat dan?”
“Laat mij maar even.”

Ze pakte mijn telefoon en stuurde hem een berichtje:

Hee, hoe is het? X Isa

“Weet hij wel dat ik Isa heet eigenlijk?”
“Geen idee, komen we vanzelf wel achter.”

Een paar tellen later had ik al een berichtje terug van hem.

Hee Isa, gaat goed hoor en met jou?

Mooi zo! Ja met mij ook hoor. Sorry van gister trouwens, vriendin van me vond het heel grappig allemaal.

Oh geen probleem, ik vond het ook wel grappig.

Lotte was mee aan het lezen en was meteen verontwaardigd dat ik haar de schuld had gegeven.

“Ik zal je nog eens helpen Isa.”
“Ja sorry, maar ik kan toch moeilijk zeggen dat ik zijn nummer niet durfde te vragen.”
“Ja oké, dat is ook wel weer zo.”

De hele dag bleef ik berichtjes sturen met hem en dat voelde als een ontsnapping. Een ontsnapping aan de harde realiteit waar ik in leefde op school. Even iemand die echt van niks wist, hoopte ik. Het was prettig om op die manier een ontsnapping te hebben. De opmerkingen werden daardoor dragelijker, de achtbaan leek een rem gekregen te hebben.

Toen ik naar huis fietste realiseerde ik dat de dag verassend snel voorbij was gegaan. Ik fietste naast Julia en ik was zowaar een keer ‘vrolijk’. Ik had een grote grijns op mijn gezicht en dat ontging Julia niet.

“Wat zit jij te lachen?”
“Oh niks hoor.”

Ik voelde dat ik een kleur kreeg en ik begon zenuwachtig te giechelen.

“Isa, zeg op. Wat is het?”

En toen vertelde ik toch maar het hele verhaal van de dag daarvoor. Hoe Lotte mijn telefoon in het restaurant had neergelegd en dat ik nu contact had met die jongen.

“Wat leuk! Hoe heet hij?”
“Ja best wel eigenlijk. Hij heet Tim.”
“Oeeh nice, houd me op de hoogte hè!”
“Yes, doe ik.”

De hele weg naar huis genoot ik van de dingen om mij heen. Hoe de bomen weer nieuwe blaadjes kregen en van de verhalen die Julia mij vertelde. Het was verdomd lang geleden dat ik op deze manier echt kon genieten van de kleine dingen. Langzaam slopen de kriebels van hoop mijn lichaam binnen. Hoop op dat ik nu het ergste gehad zou hebben.

Toen ik thuiskwam ging ik met mama boodschappen doen. Zij moest binnen nog even wat pakken en verzonken in gedachten liep ik alvast naar buiten.

“Hé vieze kankerhoer!”

Ik kreeg koude rillingen over mijn rug en de kriebels van hoop waren in een klap verdwenen.

Verbaasd keek ik om en zag ik mijn buurjongetje staan waar ik altijd op had opgepast. Hij was een aantal jaar jonger dan ik en ik kon niet geloven dat hij nu degene was die mij uitschold. De vernedering die ik op dat moment voelde was anders dan normaal.

Het raakte mij diep in mijn hart, het jongetje waarop ik opgepast had vanaf dat hij een jaar of 7 was schold mij nu uit. De ‘rem’ van de achtbaan schoot weer los en in volle vaart kreeg ik de hele lading over mij heen. De goede dag had ineens een hele andere wending gekregen. De bescherming die ik eerder die dag gevoeld had werkte in deze situatie niet, deze opmerkingen waren allesbehalve dragelijk. Misschien was dat omdat het zo uit het niets kwam en ik het niet zag aankomen. Of misschien was het omdat het dit keer niet iemand van mijn eigen leeftijd was maar van een paar jaar jonger.

Hij lachte en vond het duidelijk heel erg grappig. Er waren vriendjes van hem bij en triomfantelijk keek hij hen aan. Verbijsterd stond ik hen aan te gapen, niet in staat om te bewegen. Ik wilde wegkruipen, weg uit deze situatie. Ineens besefte ik dat mama ook zo naar buiten zou komen. Angstig keek ik naar de deur. Met alles wat ik in mij had hoopte ik dat het gestopt zou zijn als mama buiten zou komen. Mama wist niet hoe heftig het was en ik wilde ook niet dat zij het zou weten. Ik wilde niet dat zij dezelfde vernedering moest doorgaan als ik, elke dag opnieuw. Ik was tenslotte haar dochter.

“Kankerhoer.”

Het stopte nog niet. Ik voelde mijn benen trillen en mijn hartslag alsmaar versnellen. Ik keek nog een keer om en op dat moment hoorde ik de tussendeur. Dat geluid kwam als een donderslag bij heldere hemel.

Mama zou zo naar buiten komen en de jongens waren nog niet weg.