1.25 Het delen van de ellende

 

“Ik kan het niet vertellen, sorry.”

Tussen de snikken door kon lukte het me nog net om dat uit te brengen. Bente was ook naast mij komen zitten en zowel Lars als Bente hadden hun arm om mij heen geslagen. De warmte van hun lichamen tegen mij aan voelde vertrouwd ook al kende ik ze pas net. De greep van hun armen om mij heen werd steviger waardoor het voelde alsof ze letterlijk de tranen uit mij knepen. Mijn snikken werd heviger, het verdriet was niet meer te verbergen. Flitsen van mijn dagelijkse leven schoten voorbij. Ik verstijfde bij het idee om hen het verhaal te vertellen. Met al mijn kracht probeerde ik mijn veilige muur omhoog te trekken, te zorgen dat het zwarte lege gat de overhand zou nemen zodat ik zou stoppen met huilen en niks meer zou voelen. Het lukte me niet. Ik weet niet of het de warmte van hun lichamen was, of de roes van de alcohol maar ik voelde me veilig. Veilig genoeg om me te laten gaan. De muur liet ik weer vallen, het verdriet liet ik toe.

Het leek uren te duren voordat ik mezelf kon herpakken. De opluchting die ik voelde over het feit dat ik mijn verdriet kon tonen bij hen maakte plaats voor iets anders. Ik kreeg een droge mond, voelde onrust in mijn lichaam en voelde dat mijn spieren zich aanspande. Het was pure angst toen ik besefte dat ik nu het verhaal wel moest vertellen. Ik had geen keuze meer en ik had meteen spijt dat ik me zo had laten gaan.

Ik haalde diep adem en bereidde mezelf voor op het ergste toen ik aan het gesprek begon.

“Ik ga iets vertellen, maar jullie moeten beloven dat jullie niet anders over mij gaan denken.”
“Nee tuurlijk doen we dat niet!”

Bente duwde mij nog iets steviger tegen zich aan toen ze dat zei. Lars stemde daarmee in en zelfs Emma keek mij nu nieuwsgierig aan. Ik kon nu echt niet meer terug. Ik nam een moment om te bedenken hoe ik dit verhaal in hemelsnaam moest beginnen. Ik had het nog nooit verteld aan iemand die er niks van af wist.

Ik dacht terug aan de dag dat het begonnen was. Hoe ik machteloos stond tegenover de meiden die mij het ‘nieuws’ van de roddel als eerste brachten. Hoe ik op dat moment alle ogen voelde branden in mijn rug. Hoe de achtbaan versneld werd en ik geen mogelijkheid had om uit te stappen. Het verlangen naar het vlammetje dat ik eerst altijd in mij had kwam naar boven. Ik voelde me verslagen, het werd pijnlijk duidelijk dat ik op dit moment ver achterstond in de wedstrijd die ik elke dag moest spelen.

Nog steeds keken ze mij vol verwachting en nieuwsgierig aan. De vraag wat zij nu zouden verwachten van dit verhaal kwam in mij op. Als dit andersom was geweest, wat zou ik dan verwachten? Iemand die je pas net kent en vervolgens op de eerste gezellige avond met een glaasje wodka volledig instort. Wat denk je dan van iemand? Wat doet dat met je beeld van iemand? Ik besefte dat zo’n verhaal mijn mening van iemand niet zou veranderen en dat gaf me een klein beetje vertrouwen dat dit misschien toch wel goed zou kunnen komen. Dat zij inderdaad niet anders over mij zouden denken.

Aan de andere kant voelde het ook als een kans om eindelijk mijn kant van het verhaal te kunnen vertellen. Een kans die ik normaal gezien nooit zou krijgen. Ik moest vertrouwen hebben in deze nieuwe mensen. Het soort vertrouwen dat ik was verloren in de meeste mensen thuis. Ik voelde een steek in mijn hart bij dat idee, dat ik mensen die ik een paar dagen kende meer durfde te vertrouwen dan mensen die ik al jaren kende. Maar dat was het resultaat van alle ellende. De ellende die ik nu zou gaan delen met deze mensen in de hoop dat zij daar niet in mee zouden gaan. Dit was het moment, ik verzamelde al mijn kracht en ik begon met vertellen.

“Een tijd geleden is er iets gebeurt waardoor ik bijna alles wat ik dacht te hebben kwijtgeraakt ben…”

Ik haalde even diep adem voordat ik de zin afmaakte en verder ging met vertellen.