2.3 De glinstering van de uitputtende strijd

Ik snakte naar adem en er liep een rilling over mijn rug. Mijn benen voelde week en met alles wat ik in mij had probeerde ik te voorkomen dat ik flauw zou vallen. Dat zou de situatie alleen maar erger maken.

“Ja inderdaad, misschien wil ze ons ook wel even iets laten zien.”

De cape was afgevallen, ik was niet meer onzichtbaar. Ik voelde de ogen van de mensen achter mij in mijn rug prikken. Ik verlangde terug naar een minuut geleden waar ik me nog eenzaam voelde, alles was beter dan dit. Ik stond verstijfd voor het loket, niet in staat om nog iets te zeggen. De brok in mijn keel werd groter en groter. De blaadjes waren nog niet gevallen en ik zag voor me hoe de nieuwe blaadjes uiteindelijk dezelfde blaadjes zouden zijn.

Stamelend kreeg ik er nog net uit dat ik twee kaartjes wilde. Lachend gaven ze mij de kaartjes en ik rekende af.

Ik vluchtte naar buiten, de koude lucht in en de eenzaamheid sijpelde weer binnen. De hoop dat de ergste ellende voorbij was ging in rook op. In een klap was het gapende gat terug, voelde ik niks meer. De achtbaan die eindelijk langzamer leek te gaan was weer op topsnelheid.

Dit was het. De bevestiging dat het einde nog lang niet in zicht was. Ik pakte mijn fiets, fietste de verkeerde kant op totdat ik een bankje tegen kwam. Ik stapte af en liep naar het bankje toe. Voordat ik kon gaan zitten zakte ik door mijn benen heen. Ik was leeg, ik was kapot. Dit was te veel om mee om te kunnen gaan. De onvermijdelijke klappen van de harde realiteit werden mij te veel. Ik voelde mijn broek nat worden van het klamme gras waar ik in zat. Het kon me niks schelen.

Hoe lang moest dit nog duren? Hoe konden mensen zo ontzettend gemeen zijn? Hadden ze het niet door of maakte ze mij bewust helemaal kapot?

Dat waren de vragen die ik mezelf constant gesteld heb in de periode van de middelbare school. Het antwoord weet ik vandaag de dag nog steeds niet. Ik vrees dat ik er ook nooit achter zal komen.

Het vertrouwen in de mensen om mij heen was volledig verwoest. Als je mij voor alle ellende had verteld dat mensen in staat waren om iemand dit aan te doen had ik je tegen gesproken waarschijnlijk. Had ik gezegd dat iedereen iets goeds in zich heeft en dat het nooit zo ver zou komen. Maar ik had me vergist en niet zo’n klein beetje ook.

De dagen gingen voorbij, de oude Isa was terug, de vreugde was weg en de glans was weer uit mijn ogen verdwenen. Elke keer als ik het gevoel had dat de achtbaan eindelijk gestopt was en ik eindelijk kon uitstappen bleek dit toch niet het geval te zijn. Elke keer opnieuw was mijn hoop vals. Ik hoopte niet meer, ik droomde niet meer en ik leefde naar het moment toe dat ik kon wegverhuizen. Dat ik eindelijk ergens kon wonen waar niemand mij zou kennen. Waar ik eindelijk mezelf zou kunnen herpakken en waar ik me eindelijk niet meer eenzaam zou voelen.

Mijn redding kwam elke dag dichterbij, dat was waarom ik elke dag nog opstond. Dat was waarom ik niet met het spel van het leven ben gestopt. Ik moest volhouden. Ik gunde de tegenstanders de winst niet, ik moest het tegendeel bewijzen, ik moest en zou winnen. En dat is wat ik uiteindelijk heb gedaan. Ik heb mezelf elke dag mijn bed uitgesleept voor de winst.

En ik telde de dagen af…